Gedachtes, Gevoelens, Gedrag en Overtuigingen

Overtuigingen, gevoelens, gedachtes en gedrag

Overtuigingen, Gedachtes, Gevoelens en Gedrag. Het kan je helpen om te leren deze 4 dingen goed uit elkaar te kunnen halen en op elk onderdeel meer bewustzijn te krijgen.

Snap je soms niet waarom je zo somber bent? Of waarom je reageert zoals je doet? Heb je geprobeerd een bepaalde gewoonte te veranderen en mislukt dit telkens weer?

Vaak zitten we vast in gedrag, of gedrag en gedachtes, of in sommige gevallen gedrag en gevoelens. Hoe dat vastzitten precies zit ligt vrij gecompliceerd en het is ook niet voor iedereen hetzelfde. Doordat we vastzitten in het ene vergeten we soms het andere. Daarom kan het helpen meer bewustzijn en inzicht te krijgen in de onderlinge verschillen en wat ze stuk voor stuk voor je kunnen betekenen.

NOTE. Geen van deze 4 definiëren wie wij ZIJN. Het zijn aspecten van het leven die beïnvloed worden door ons leven en door elkaar.

De 3 g’s + overtuigingen

De vier onderdelen lijken op de 4 eikels in de foto. 3 Liggen meer op de voorgrond (de 3 g’s) en 1 is er wel maar valt op het eerste gezicht niet zo op. Toch zijn ze alle vier aanwezig en beïnvloeden ze elkaar. Het ene kan niet zonder het ander.

Gedrag

Gedrag is wat we doen. Acties. Niets doen is overigens ook een actie. Je kunt niet een moment leven zonder gedrag. Alles wat je doet is gedrag. Gedrag is dus ook een momentopname, dat elk jaar, elke maand, elke week, elke dag, elke minuut, elke seconde kan veranderen.

Voorbeelden:

  • Op het strand lopen
  • Eten
  • Tegen iemand praten
  • ‘hoi’ zeggen
  • Niets zeggen

Gevoelens

Gevoelens kunnen samengevat worden in de 4 B’s: Boos, Bang, Bedroefd, Blij. Dit laat meteen zien dat het een illusie is om alleen maar positieve emoties te ervaren. 3 van de 4 zien we vaak als ‘negatief’, dus hoe kun je ooit alleen maar blij zijn?

Die 4 B’s zijn vrij heftig en daarom biedt onze taal veel nuances. Als we morgen een belangrijk gesprek hebben zijn we nerveus, niet per se bang. Toch zit nervositeit op de schaal van bang. Hetzelfde geldt voor geïrriteerd bij boos en tevreden bij blij. Ook naar de andere kant zijn er naunces, zoals woest bij boos.

Deze 4 B’s kunnen je helpen meer inzicht te krijgen in je gevoelens. Als we geïrriteerd zijn, zijn we ons er vaak niet van bewust dat er een boosheid in ons zit. Of wanneer we ons ongemakkelijk voelen. Zit daar boosheid onder? Of is de ongemakkelijkheid eerder een spanning en dus angst.

Evenals gedrag zijn gevoelens er altijd. Er zal geen seconde in je leven zijn dat je niks voelt, natuurlijk in nuances maar je voelt zeker elke seconde van je leven in ieder geval iets.

Daarbij is het van belang dat die gevoelens niet per se uitgelokt zijn door het gedrag van een ander. Wanneer je geïrriteerd bent hoeft het niet zo te zijn dat je boos bent op de ander omdat hij/zij iets heeft gedaan. Die gevoelens zijn er nu eenmaal en daar heb je mee te dealen. Waar gevoelens precies vandaan komen is voor nu niet belangrijk, daar kom ik in een later artikel nog een keer op terug.

Gedachtes

Gedachten zijn – vaak verbale – bedenkingen van de mind. Hoewel gedachtes ook op elk moment aanwezig zijn, verschilt de focus die je op je gedachtes legt. Iets als “ik moet nog kaas halen”, zal wellicht minder aanwezig naar voren komen dan “misschien is dat geritsel bij de voordeur een inbreker”, waar een gedachte als “hé de lamp is aan” wellicht amper in je bewustzijn naar voren komt.

Verder hebben we als mens een niet zo fijne bias in ons systeem die maakt dat onze negatieve gedachtes prominenter aanwezig zijn dan de positieve. Mocht dit bij jou het geval zijn, realiseer je dan dat dit niet jouw schuld is. Dit doe je niet expres. Toch kun je hier wel invloed op hebben. Dit kan fijn zijn en je mogelijk helpen omdat die negatieve gedachtes onze gevoelens kunnen beïnvloeden en vice versa.

Overtuigingen

Op onze overtuigingen hebben we over het algemeen minder bewustzijn. Kun je er zo een paar van jezelf bedenken? Onze overtuigingen zitten verborgen in ons onderbewuste. Ze beïnvloeden ons gedrag, gedachtes en gevoelens onbewust. Het gebeurt voordat je het door hebt. Door meer inzicht in je overtuigingen te krijgen kun je ook op het effect ervan meer inzicht – en dus invloed – krijgen.

Vorbeelden

  • Ik ben beter in mijn werk dan anderen
  • Mijn leven is een puinhoop
  • Ik doe het nooit goed

Deze overtuigingen worden gevormd n.a.v. ons leven. De gebeurtenissen in ons leven en hoe we daarmee omgaan. Dit begint al heel vroeg. Als we als kind moeite hebben om de volledige aandacht van onze ouders te krijgen en we merken dat dit wel lukt wanneer we hard schreeuwen, zal er een overtuiging ontstaan omtrent: om gezien te worden moet ik hard van me laten horen.

Deze overtuiging heeft weer invloed op hoe we met de wereld omgaan en deze interpreteren. Het beïnvloedt onze gedachtes, gevoelens en gedrag.

Voorbeelden met gedachtes, gevoelens, gedrag en overtuigingen

Het veelgebruikte voorbeeld van geritsel in de tuin, onder je raam:

Beeld je de volgende situatie in:

Je ligt in bed, het is net middernacht en je wil gaan slapen (= situatie). Je slaapkamer zit op de 1e verdieping aan de achterzijde van het huis, en je raam zit recht boven de achterdeur (= situatie). Je doet je ogen dicht. Dan hoor je geritsel in de tuin (= nog steeds situatie). Je hoort iets ritselen in de bosjes. Dan bedenk je je: ‘misschien is het een inbreker’ (= gedachte). Je hart gaat wat sneller kloppen (= lichamelijke sensatie) en je vreest dat er een inbreker onder je raam staat (= gedachte). Je besluit stil in bed te blijven liggen en te hopen dat er niks gebeurt (= gedrag).

Tijdens deze situatie en interpretatie is je gevoel waarschijnlijk angst, bang. Je voelt in ieder geval spanning. De overtuiging die hieronder zit heeft te maken met wat jou het meest logisch lijkt dat er op zo’n moment gebeurt. In dit geval kan het zijn dat er vaker bij je in de buurt is ingebroken, of dat het je wellicht zelf eerder is overkomen. ‘inbrekers’ zitten dan in je systeem. Onbewust ben je daar af en toe mee bezig. Als er zich een situatie voordoet die op een bepaalde manier gerelateerd zou kunnen zijn aan de inbreker, dan ‘haakt’ die situatie aan jouw overtuiging.

Laten we er nu vanuit gaan dat je een kat hebt, die graag ’s nachts op pad gaat:

Je ligt in bed, het is net middernacht en je wil gaan slapen (= situatie). Je slaapkamer zit op de 1e verdieping aan de achterzijde van het huis, en je raam zit recht boven de achterdeur (= situatie). Je doet je ogen dicht. Dan hoor je geritsel in de tuin (= nog steeds situatie). Je hoort iets ritselen in de bosjes. Dan bedenk je je: ‘misschien is de kat weer op pad’ (= gedachte). Je blijft rustig in je bed liggen (= gedrag) en verwacht dat je kat vanzelf weer weg zal gaan (= gedachte).

In dit geval zal je gevoel waarschijnlijk rustig zijn. Wellicht ben je geïrriteerd dat je kat je uit je slaap houdt. Of misschien ben je blij, omdat je kat het naar z’n zin heeft. Dit gevoel wordt dus beïnvloed door jouw gedachten, die weer voortkomen uit jouw overtuiging. Je gevoel beïnvloedt vervolgens weer je gedachten enzovoorts.

Voorbeeld #2

Laten we na dit overduidelijke voorbeeld even terug gaan naar de eerdergenoemde overtuiging omtrent “om gezien te worden moet ik hard van me laten horen”, en stel je de volgende situatie voor:

Bij het bedrijf waar je werkt is er op dit moment een vergadering (= situatie). Jij bent een van de medewerkers die een idee hebt om in te brengen over project Y (= situatie). Tijdens de vergadering is het druk (= interpretatie). Er praten 10 werknemers door elkaar heen (= situatie). Ook wanneer alle punten bijna zijn afgehandeld blijft iedereen praten (= situatie).

– Wat denk je dat deze persoon nu zal denken, voelen en doen? –

Gebaseerd op je overtuiging kan het zijn dat je de vergadering als vervelend ervaart (= gevoel, boos/bang/bedroefd?) en dat je denkt dat niemand naar je luistert (= gedachte). Dit maakt je bedroefd (= gevoel). Uiteindelijk wil je toch graag je idee naar buiten brengen en deel je deze luidruchtig door al het gepraat heen (= gedrag).

Wat nu als je in je verleden er anders uitzag: je had een broer die erg druk was. Je ouders hadden er hun handen vol aan. Hij kreeg daardoor veel aandacht, maar je ouders waren ook veel boos. Om de vrede nog enigszins te bewaren bleef je stil. Over jou waren je ouders lovend. Jij was zo rustig en kalm, een hele verademing in vergelijking met je broer. Hierdoor is de overtuiging ontstaan dat mensen je aardig zullen vinden wanneer je je koest houdt.

Op basis van deze overtuiging zal de eerder genoemde situatie van de vergadering er waarschijnlijk een ander gevolg hebben:

Gebaseerd op je overtuiging kan het zijn dat je de vergadering als vervelend ervaart (= gevoel; nu omdat het jouw systeem doet herinneren aan de eerdere situaties met je broer) en dat je denkt dat er ruzie zal ontstaan (= gedachte). Dit maakt je bang (= gevoel). Uiteindelijk wil je toch graag je idee naar buiten brengen maar je houdt je stil (= gedrag).

Alle vier de onderdelen staan dus met elkaar in verband. Ze beïnvloeden elkaar allemaal, met overtuigingen als ondertoon.

Pin on PinterestShare on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterEmail this to someone

One thought on “Gedachtes, Gevoelens, Gedrag en Overtuigingen

Comments are closed.